Uitgelichte vensters:

 Een tiental notulenboeken,weggeborgen in een kast op school, vormden de bron voor het verslag van de eerste eeuw Christe­lijke Schoolvereniging in Oosterend.Honderd jaren met strijd en zorg, met groei en hoop en dankbaarheid. Een stukje geschie­denis van mensen,die voor hun kinderen een school met de Bij­bel wilden,omdat dat het beste was. Die daarvoor offers wilden brengen,strijd wilden voeren. Zo ontstond de Christelijke la­gere school en de Christelijke kleuterschool in Easterein. De Oprichting en Eerste Jaren van de Christelijke School te Oosterend (1870–1880) Dit document biedt een unieke inkijk in de ontstaansgeschiedenis en de pioniersjaren van het Christelijk Onderwijs in Oosterend (gemeente Hennaarderadeel). De tekst is gebaseerd op de oorspronkelijke notulenboeken uit de periode 1870–1880 en schetst een levendig beeld van de maatschappelijke, financiële en praktische uitdagingen waar de dorpsgemeenschap destijds voor stond. Het document is destijds minutieus bijgehouden door secretaris W. de Roos Oz. Het verslag is chronologisch en thematisch opgebouwd rondom de volgende 4 kernpunten: De Aanleiding: Ontevredenheid onder orthodox-christelijke dorpsbewoners over het verdwijnen van de Bijbel uit de openbare school van meester Baars. De Realisatie: De snelle oprichting van een schoolbestuur, de verwerving van grond, en de bouw van de school voor de som van ƒ 2.395,- door een timmerman uit Welsrijp. Personele Uitdagingen: De aanstelling van hoofdonderwijzer A. Langhout en de daaropvolgende constante strijd om geschikte, betaalbare hulponderwijzers aan te trekken en te behouden. Financiële Zorgen: Het voortdurend balanceren tussen de exploitatiekosten, de noodzaak tot het heffen van schoolgeld, en de wens om 'on- en minvermogende' kinderen gratis onderwijs te bieden via het zogenaamde Suppletiefonds.   1. Het Allereerste Begin (Januari – April 1870) Nadat er in de gezinnen al veelvuldig en uitgebreid was gesproken over de wenselijkheid van een christelijke school, werd op 26 januari 1870 de beslissende eerste vergadering gehouden in de consistoriekamer. Elf personen waren hierbij aanwezig. Op de openbare school van meester Baars was de Bijbel destijds langzaam maar zeker uit het zicht verdwenen. Hoewel die school kwalitatief goed was, bleven de positieve christenen ontevreden; zij wilden een 'School met de Bijbel' voor hun kinderen. Er werd een voorbereidingscommissie van drie personen ingesteld: D.P. Noordmans S. Strikwerda W. de Roos Oz. Al snel werd deze commissie uitgebreid met Yme T. Vellinga en Klaas G. Miedema. Op 4 april 1870 kon de commissie een eerste ledenvergadering bijeenroepen met 19 aanwezigen, onder leiding van de plaatselijke predikant, Ds. Becking. De commissieleden werden met grote meerderheid in het definitieve bestuur gekozen. De statuten en het huishoudelijk reglement werden goedgekeurd en de bouwtekeningen met het bestek kwamen op tafel. Huurconstructie van de grond: Met grondeigenaar R.R. Sybrandi werd een huurcontract voor 12 jaar gesloten tegen een grondpacht van ƒ 3,00 per vierkante roede. De halve dienstwoning werd van jaar tot jaar gehuurd voor ƒ 60,00 per jaar, aangezien de eigenaar de woning mogelijk zelf voor het einde van de 12 jaar wilde betrekken.  2. De Bouw en de Feestelijke Opening De bouw vond plaats op de locatie waar tegenwoordig "Us Gebou" staat. De gunning ging naar de laagste inschrijver: Johannes Rieters Dijkstra, meester-timmerman te Welsrijp, voor een bedrag van ƒ 2.395,00. Hoewel het bestuur dit bedrag "enigszins hoog" vond, kreeg hij begin mei de opdracht. Eind augustus was het gebouw zo ver gevorderd dat het schilderwerk voor ƒ 98,00 werd gegund aan G. Koster te Oosterend. De Gedenkstenen Omdat er in de voorgevel weinig ruimte was, besloot men twee even grote, driehoekige steentjes te plaatsen aan weerszijden van het ronde venster boven in de voorgevel, met de tekst uit Spreuken 22:6: Steen 1: "Leer den jongen de eerste beginselen naar den eisch zijns wegs."  Steen 2: "Als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken."    De Openingsdag: 17 oktober 1870  De feestelijke opening vond plaats om 14:00 uur 's middags. Om 13:00 uur verzamelden de kinderen en de kersverse hoofdonderwijzer, meester A. Langhout, zich in het lokaal. Kort daarna was de rest van de ruimte gevuld met circa 100 belangstellenden. Ds. Becking leidde de bijeenkomst, droeg de school in gebed op aan de "Hemelschen Vader" en diverse aanwezigen spraken tot laat in de avond hun vreugde uit. 3. Schoolleven en Financiële Realiteit Meester Langhout begon zijn werk in één grote, hoge ruimte waarin alle 50 tot 60 kinderen tegelijk les kregen. Het vakantierooster was sober: vier weken op jaarbasis, met daarnaast om de maand een vrije zaterdag, en om de twee maanden een vrij weekend (zaterdag en maandagochtend). Het Schoolgeld en het Suppletiefonds Iedere maandag moest de meester het schoolgeld "een week vooruit" innen. Dit bedrag was vastgesteld op 15 cent per kind per week. Vanwege de krappe financiële positie van de school was dit geld hard nodig, maar voor armere gezinnen bleek dit al snel een te zwaar offer. Het bestuur nam daarom een sociaal besluit: a.     Voor de kinderen van on- en minvermogende ouders is het onderwijs kosteloos b.     Voor de kinderen van Gegoede ouders bedraagt het schoolgeld 2 gulden per kind per kwartaal c.     Bij meerdere kinderen uit één gezin geldt het halftarief voor de volgende kinderen. Tijdens de eerste ledenvergadering op 1 februari 1871 bleek er een fors tekort van ƒ 1.033,00 te zijn. Door een intekenlijst rond te laten gaan onder de aanwezige en afwezige leden wist men direct ƒ 540,00 op te halen om het gat te dichten.  4. Personeelsverloop en Dagelijkse Zorgen (1871–1875) Het leerlingenaantal bleef groeien en passeerde in het voorjaar van 1871 de grens van 75 kinderen. Meester Langhout stelde voor een kwekeling aan te nemen, maar een advertentie leverde slechts één reactie op: een 13-jarige jongen uit Menaldum, die wegens zijn jonge leeftijd ongeschikt werd bevonden. Vervolgens werd er gezocht naar een hulponderwijzer. Uit vijf kandidaten werd meester M. de Groot uit Workum gekozen na het geven van een proefles. Zijn jaarsalaris werd vastgesteld op ƒ 300,00. Schommelende Conjunctuur Januari 1872: De vereniging bloeit. De penningmeester meldt een batig saldo van ruim 100 gulden. Meester Langhout krijgt een salarisverhoging van ƒ 50,- (naar ƒ 750,-) op voorwaarde dat hij de catechisaties gratis overneemt. Ook hulponderwijzer De Groot stijgt naar ƒ 350,-. Mei 1873: Hulponderwijzer De Groot vertrekt naar Utrecht. De zoektocht naar een vervanger verloopt moeizaam. Een uiteindelijke opvolger blijkt "zeer stuursch en onvriendelijk" tegenover de kinderen. Tot ieders opluchting vertrekt deze man al na twee maanden. Bestuurlijke stabiliteit: Waar hulponderwijzers kwamen en gingen, bleven de bestuursleden trouw op hun post. Pas toen secretaris De Roos in '73 naar Winsum verhuisde en voorzitter Noordmans in 1880 naar Scharnegoutum trok, vonden er wisselingen plaats. Zij werden opgevolgd door R.R. Sybrandi en S.P. Strikwerda.   Toenemende Druk aan het Einde van de Eerste Decade In de late jaren 1870 namen de materiële en personele zorgen toe. De school was fysiek te klein geworden; er moest een tussenschot komen om het lokaal in tweeën te splitsen voor de rust tijdens de lessen, evenals een tweede schrijfbord. De leraren klaagden eveneens over de hoge werkdruk en de lage salarissen: Hulponderwijzer R. Visser vroeg in 1876 om meer loon en minder uren. Het bestuur wees de loonsverhoging direct af, maar schrapte wel de avondschool op woensdagavond. Visser vertrok daarop niet veel later naar Tiel. Een poging van meester Langhout om de schooltijden te veranderen naar twee in plaats van drie dagdelen per dag werd door het bestuur resoluut afgewezen: "Niet passend voor ons dorp, de tijd is daarvoor niet rijp."   De Kwestie 'Van der Heide' en de Dienstplicht Toen er in Ferwerd een nieuwe, jonge hulponderwijzer (de heer Van der Heide) werd gevonden, stuitte de aanstelling op een praktisch probleem: de man was ingeloot voor de militaire dienstplicht. Hij had geen geld voor een 'nummerverwisselaar' (een vervanger). Het bestuur weigerde als instantie borg te staan, maar de vijf bestuursleden losten dit privé op door persoonlijk elk ƒ 30,- (totaal ƒ 150,-) voor één jaar beschikbaar te stellen. Hierdoor kon de vacature toch worden vervuld.  Balans na Tien Jaar (1880) Bij het bereiken van het 10-jarig jubileum waren de financiële reserves volledig uitgeput: Het algemene tekort was opgelopen tot ƒ 784,62. Het Suppletiefonds voor de arme kinderen keek tegen een tekort aan van ƒ 142,695. Ondanks deze harde cijfers sloot de secretaris zijn jaarverslag in diep religieuze dankbaarheid af: "Dat hij den toestand der Vereeniging nog bloeijend mocht noemen, zoodat de leden zijns insziens groote redenen tot tevredenheid hadden over de leiding des Heeren, overwaardig om dezelve met dankzegging te erkennen."

De geschiedenis van Firma Joustra Brânje Het familiebedrijf van de "Firma Joustra Branje" kent een lange geschiedenis die sterk verbonden is met Easterein. Om die te ontrafelen, gaan we terug naar het midden van de negentiende eeuw. Joustra of Jouwstra? Wybren Sierks (1777-1844) is de stamvader van de Joustra’s in Easterein. Wanneer hij deze familienaam aanneemt, wordt het aanvankelijk ook wel als 'Jouwstra' geschreven. Omstreeks 1815 verhuist hij met zijn gezin vanuit Wolsum naar Easterein, waar hij zich inschrijft als arbeider. Wybren is getrouwd met Lipkjen Wybrens Jaarsma. Het echtpaar heeft al vijf kinderen wanneer ze zich in Easterein vestigen, en in het dorp worden later nog eens vier kinderen geboren. Voor de stamreeks van het bedrijf is het zevende kind, Sjirk, van belang. In het geboorteregister staat hij ingeschreven als 'Sjerk' en noteert de ambtenaar de achternaam van de vader nog als 'Jouwstra'. Wybren zelf ondertekent de akte echter als Wybrens Sierks Joustra. Uit deze akte blijkt bovendien dat Wybren inmiddels geen arbeider meer is, maar boer. De voornaam Sjerk werd later overigens alleen nog maar als Sjirk geschreven. Van boer naar schipper Sjirk Wijbrens Joustra (1818-1909) huurt later de 'Pastory'-boerderij (Skrok 8) van de Hervormde kerk (zie het hoofdstuk ‘De straten’ in het archief). Samen met zijn vrouw Tryntje Elzinga krijgt hij zes kinderen. In 1888 moet Sjirk de boerderij verlaten, waarna hij de kost verdient als schipper en koemelker. Turfschipper in Itens De derde zoon van Sjirk en Tryntje is Gerrit Sjirk Joustra (1847-1878). Hij trouwt met Sytske Tsjalling Faber en wordt turfschipper in Itens. Het noodlot slaat echter vroeg toe: Sytske is nog in verwachting wanneer Gerrit Sjirk op dertigjarige leeftijd overlijdt. Hun zoon wordt geboren op 5 maart 1879 en wordt vernoemd naar zijn overleden vader: Gerrit Sjirk Joustra (1879-1942). 233723 left 200px Eerste registratie van de firma Het is deze jongere Gerrit Sjirk Joustra die het bedrijf op 11 december 1928 officieel laat inschrijven in het Handelsregister. De handelsnaam luidt: G.S. Joustra, Handel in brandstoffen. Bij de inschrijving wordt vermeld dat het bedrijf al sinds 1917 is gevestigd in Easterein (destijds officieel geregistreerd onder de Nederlandse naam Oosterend, gemeente Hennaarderadiel). 233772 left 200px Meer dan turf alleen Rond die tijd wordt voor de verwarming van huizen voornamelijk turf gebruikt, al komen kolen ook langzaam in opkomst. De turf is afkomstig uit Drenthe en wordt per schip naar Easterein vervoerd, waar het wordt gelost in twee turfhokken aan de Schippersburen. De kolen worden geïmporteerd uit Engeland (Cornwall) en Duitsland. Gerrit Sjirk is getrouwd met Geeske Sjoerds Siesling en samen krijgen zij acht kinderen: zes zoons en twee dochters. In 1942 overlijdt Gerrit Sjirk, vermoedelijk aan de gevolgen van geelzucht. Slechts een maand voor zijn overlijden heeft hij de bedrijfsomschrijving in het Handelsregister nog laten uitbreiden naar: G.S. Joustra Handel in brandstoffen annex zand en grinthandel en meststoffen. Na zijn overlijden zet zijn weduwe de brandstofhandel voort. 233719 left 200px De gebroeders Joustra Op 21 maart 1944 draagt Geeske de firma over aan haar twee zonen, Homme en IJpe (Ype). In het Handelsregister wordt dit als volgt omschreven: 'De eigenares Geeske Siesling, weduwe van Gerrit Sjirk Joustra, is met ingang van elf maart 1944 als zodanig uitgetreden vanwege overdracht aan haar zonen Homme en IJpe Joustra.' De handelsnaam verandert mee en wordt: Gebr. H. en IJ. Joustra, Handel in brandstoffen (en detail) en zand, grind en meststoffen. 233720 left 200px Het lossen van turf in Wommels. Van links naar rechts (op de rug gezien): Jurjen (zoon van Homme) en de broers Sjoerd, IJpe en Homme Joustra (met de pijp). Zand, grind en mest Naast brandstoffen handelt de firma ook in zand en grind voor de bouw van wegen en huizen. Het zand is afkomstig uit Apeldoorn en wordt per schip naar Easterein gebracht; het grind wordt opgehaald in Lobith. Een van de belangrijkste opdrachtgevers in die tijd is de gemeente Hennaarderadiel. De handel in meststoffen kent een heel andere, bijzondere oorsprong. In de tijd dat er nog geen riolering of toiletten waren, deden mensen hun behoefte op een ton. Elk gezin had zo'n ton en wekelijks kwam de 'stronttonnetjesschepper' langs om deze te legen. De inhoud werd tijdelijk opgeslagen in Wommels en Bolsward. Zodra de massa voldoende was ingedroogd, werd het per schip naar Drenthe vervoerd om daar te worden uitgereden over de afgegraven turfvelden. Het trotse schip van de firma is de Hasselteraak “Hoop op Zegen”, die Gerrit Sjirk Joustra al in 1917 had gekocht. Dit schip wordt voor nagenoeg alles ingezet: van turf en mest tot zand en grind. Dat het transport over water destijds niet zonder gevaar was, blijkt uit het verhaal van Tsjalling Joustra. Als 14-jarige jongen vaart deze jongere broer van Homme en IJpe mee op de "Hoop op Zegen" wanneer ze geladen zijn met grind. Hij deed zijn spectaculaire verhaal later uitgebreid in de krant (zie bijlage). Tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog worden er met het schip ook boomstammen gehaald uit Appelscha en Gaasterland. Stookhout is in die jaren schaars, maar hard nodig voor de (bak)ovens van de centrale keuken. Tijdens een van deze tochten in de oorlog slaat het noodlot opnieuw toe binnen de familie: Gerrit Joustra, een oudere broer van Homme en IJpe, wordt tijdens een aanval door een Engels vliegtuig dodelijk getroffen. 233773 left 200px Vergunning voor het vervoeren van boomstronken vlak na de oorlog. Uitbreiding van de firma Op 25 augustus 1961 wijzigt de handelsnaam in: Joustra’s brandstofhandel Wommels-Oosterend (Fr.). Dit gebeurt omdat het brandstofbedrijf van Rinze Joustra (een andere oudere broer van Homme en IJpe) uit Wommels wordt samengevoegd met het bedrijf in Easterein. De firma zelf is gevestigd aan de Schoolstraat. In het begin staat daar enkel een houten hok, maar nadat het terrein in 1961 eigendom van de firma wordt, volgt er een flinke uitbreiding. Hier worden de kolen handmatig in jutezakken verpakt. De kolen uit Engeland komen per schip aan in Harlingen en worden daar door de 'Hoop op Zegen' opgehaald. De Duitse kolen komen per trein aan in Sneek en Bozum, waarna ze naar Easterein worden getransporteerd. Later groeit de handel zo hard dat de kolen rechtstreeks worden geleverd door een transporteur met een grote vrachtwagen met aanhanger. Voortschrijdende ontwikkelingen De markt verandert echter. De turfhandel loopt stroever omdat huizen steeds vaker worden verwarmd met kolen en later met gas. Alleen bakkers en slagers hebben nog turf nodig. Vanwege de kleinere hoeveelheden wordt de turf vanaf dat moment per vrachtwagen aangevoerd. De broers spelen flexibel in op de energietransitie en beginnen met de verkoop van kolenkachels. Dit assortiment breidt zich later uit naar gaskachels en uiteindelijk naar luxe houtkachels. Ondertussen starten ze ook met de handel in rode diesel: brandstof voor agrarisch gebruik die onder een lager accijnstarief valt. Deze diesel wordt opgeslagen in twee ondergrondse tanks aan de Schoolstraat en met een kleine tankauto bij de boeren thuis bezorgd. Joustra Brânje Twaalf jaar later treden Homme en Rinze uit het bedrijf. IJpe zet de zaak vanaf dat moment alleen voort tot aan 1980. 233730 left 200px In 1980 wordt het bedrijf overgenomen door Jurjen Joustra (de tweede zoon van Homme) en Willem Rienstra. De naam verandert officieel in 'Joustra Brânje'. Volgens het Handelsregister bestaan de hoofdactiviteiten vanaf dan uit de handel in brandstoffen, olie, zand en grind, en de verkoop van haarden. Na het overlijden van Jurjen Joustra in 1999 zet Willem Rienstra de zaak nog 19 jaar lang in zijn eentje voort. En zo kwam er op 1 januari 2020, na een rijke geschiedenis van 92 jaar, definitief een einde aan de turf-, olie- en brandstofhandel in Easterein.


Nieuws: